UIT DE PRACTIJK
1V-^ mei 1939
eim oirg<diinni§«3iiIïi@§
urn a im
im
eim
M A AND B L A D VOOR HET FE j*_SO N E E L D JLl_f N C A S S O - B AJ4_K_N-V.
15e JAARGANG No. 5
Adres Redactie: AFD. BIJKANTOREN - H e e r e n g r a c h t 527 A M SJT E R D AM-C.
VASTE MEDEWERKERS: W. Bakker, G. J. v. d. Berg, J. v. d. Berg, S. J. Bierema (secr.), F. W. Drijver Jr., J. M. F.
Everling (red.), G. Eijkenduijn, H. de Goede, G. Heidstra, C. A. Klaasse, M. E. Fr. Klinkenbergh, M. K. Kraan,
H. Kuiken, F. Niewenhuis, J. E. v. Ooijen, M. C. Overberg, W. du Pon (red.), A. Porcelijn (red.),
F. J. Schr'ammeijer, A. Simons, C. H. L. Smit (secr.), A. W. Unkel, Is. Vorst, Mr. A. Wensing.
EEN NIEUWE RUBRIEK.
Met dit nummer openen wij onder den naam „Uit de
practijk" een nieuwe rubriek, waarin wij ons voor
stellen die onderwerpen te bespreken, welke als regel
niet in de bestaande studie- of handboeken worden behan
deld, doch waarvan men zich de kennis of de vaar
digheid in de practijk moet verwerven.
Voor velen van onze lezers zal deze rubriek uiter
aard geen nieuws brengen. Daar staat echter tegen
over, dat er minstens even velen zijn die, wat hun
practische vorming betreft, nog niet afgestudeerd
zijn.
In dat licht bezien, kan deze rubriek tegemoet komen
aan ons verlangen om ons blad elck wat wils te doen
bieden. DE REDACTIE.
In de praktijk hebben wij dagelijks te maken
met de reglementen en voorschriften van die
Vereenigingen en Organisaties op het ter
rein van den Geld- en Effectenhandel, waar
bij wij als bank hetzij direct of indirect zijn
aangesloten. Veelal werden door deze ver
eenigingen tarieven vastgesteld waaraan de
bank zich bij de uitoefening van haar be
drijf in het eene geval zonder meer moet
houden, terwijl in het andere geval de ta
rieven als maatstaf of z.g. „minimum" gelden.
Het ligt dus voor de hand dat wij achtereen
volgens enkele beschouwingen zullen geven
over het ontstaan, den werkkring, e.d. van
die vereenigingen, de tarieven en al hetgeen
daarmede samenhangt.
Wij beginnen ditmaal met een door en tus-
schen verschillende van de bedoelde instan
ties getroffen regeling, t.w.
DE INCASSO-OVEREENKOMST.
In September 1903 werd door de ledenver
gadering van den Bond voor den Geld- en
Effectenhandel in de Provincie een commis
sie benoemd, met de opdracht een incasso
tarief samen te stellen.
In haar eerste bijeenkomst stelde deze Com
missie in beginsel vast, dat bij de uitvoering
van haar opdracht naar samenwerking met
de Amsterdamsche en Rotterdamsche in
casso-kantoren gestreefd diende te worden.
Een tegenvaller was, dat in April 1904 door
de Vereeniging voor den Effectenhandel het
door het Bondsbestuur gedaan voorstel tot
het aangaan van een overeenkomst voor de
effectenprovisie werd verworpen. Niet alleen
was daardoor de kans op samenwerking met
de Amsterdamsche incasso-kantoren vermin
derd, doch was daarmede tevens de illusie
verdwenen, dat het sluiten van een provisie
overeenkomst een belangrijke toename van
het ledental van den Bond met zich zou
brengen. Een toename van het ledental was
onder de gegeven omstandigheden een
noodzakelijke voorwaarde voor het invoeren
van een incasso-tarief.
1