dat alle productieve krachten volledig benut
worden, de productie van nieuwe kapitaal
goederen (fabrieken, machines, bepaalde
openbare werken), alleen kan worden opge
voerd, indien wij bereid zijn productieve
krachten hiervoor te onttrekken aan de pro
ductie van consumptiemiddelen. Wij moeten
dan inderdaad onze consumptie inkrimpen,
d.w.z. sparen. Er zijn dus inderdaad ontwik
kelingsstadia geweest, waarin er een duidelijk
verband was tusschen de mogelijkheid van in-
dustrieele expansie etc. en den omvang der
besparingen. Geweest. Thans echter, nu
de productieve krachten allerminst ten volle
benut worden, en de behoefte aan expansie
gering is, ontbreekt niet alleen het logische,
maar ook het f e i t e I ij k e verband tusschen
besparing en kapitaalvraag, in dien zin, dat de
kapitaalvraag miniem is (over de oorzaken
hiervan wellicht later) en de besparingen zeer
groot zijn.
Oogenschijnlijk is het vreemd, dat in onzen
tijd zeer veel gespaard wordt. Bedenkt echter,
dat er b.v. in onzen kring niemand is, die niet
spaart. Zelfs de man, die op den 2en van
de maand al met leege beurs loopt, doet het:
zijn pensioen-, ziekte- en invaiiditeitswetspre-
miën zijn evenzoovele besparingen.
De economie van heden doet daarom wel
het gecompliceerde probleem van den in
vloed van het sparen op de conjunctuur op
den voorgrond te stellen; of de economie van
morgen of overmorgen weer aanleiding zal
hebben om, als voorheen, de kapitaalsvoorzie
ning als hoofdprobleem te zien, is niet te voor
spellen.
In mijn vorig artikel stelde ik (sub b) de vraag,
of de extra-groote voor belegging beschik
bare kapitaalhoeveelheid, die aanwezig zou
zijn geweest indien de overheid nu eens
niet honderden millioenen qeabsorbeerd had,
niet door belegging in het buitenland emplooi
had kunnen vinden. Die vraag moet ontken
nend beantwoord worden. Ook thans (nu de
overheid wel honderden millioenen absor
beerde), is immers de kapitaalexport niet in
staat het beleggersprobleem op te losen. Voor
zoover er thans kapitaal-export is, is dit in
hoofdzaak via aankoopen in het buitenland
van aldaar reeds lang tevoren geëmitteerde
fondsen. Emissies van buitenlandsche fondsen
ter financiering van nieuwe projecten zijn
hooge uitzondering geworden. Er schuilt maar
weinig overdrijving in, indien men zegt, dat
het buitenland, dat nieuw crediet verlangt,
niet credietwaardig is en dat de credietwaar-
diqen geen crediet noodig hebben, ja het
zelfs niet eens leuk vinden als het buitenland
hun de goede beleggingspapieren wegkoopt.
Welke is nu de beteekenis van den kapitaal
export, in den vorm, waarin deze thans nog
plaats vindt, voor onze conjunctuur? Een zeer
geringe. Voor zoover hij onzen beleggers i n-
komen oplevert, dat niet verkregen ware,
indien het betrokken vermogen onbelegd zou
zijn gebleven, zal of kan dit inkomen inder
daad de vraag naar consumptiemiddelen te
onzent vergrooten en aldus de conjunctuur
stimuleeren. Maar de hier bespaarde dus
aan de circulatie onttrokken hoofdsom,
blijft aan de binnenlandsche circulatie ont
trokken, evenzeer als wanneer het geld hier
braak zou hebben gelegen. Dat was vroeger,
toen de kapitaalexport de financiering van
nieuwe buitenlandsche projecten betrof,
anders. Soms ging de credietverleening aan
het buitenland toen rechtstreeks ge
paard met goederenleveranties aan het bui
tenland. Ons bedrijfsleven (zoowel de expor
teurs als de vele leveranciers van hen, die in
de exportbedrijven werken) aldus onze con
junctuur, profiteerde dan van den kapitaalex
port, het geld bleef feitelijk hier in circulatie,
de goederen werden geëxporteerd.
Vaker misschien kocht het buitenland met het
door ons voor den opbouw van zijn industrie
of de cultiveering van het land ter beschik
king gestelde kapitaal, elders de benoo-
digde machines of materialen. Elders werd
dan in eerste instantie de conjunctuur gesti
muleerd door onzen kapitaalexport. Maar in
den tijd van vrij internationaal ruilverkeer kon
dit ons toch weer indirect ten goede komen:
een industriëele opleving in Engeland b.v. kon
oorzaak zijn, dat onzen export van tuinbouw
producten naar dat land toenam. Door drie-
en veelhoeksverhoudingen, die kenmerkend
waren voor de periode van internationalen
vrijhandel, kon kapitaalexport destijds een
zeer nuttig effect hebben, dat afwezig is als
de kapitaalexport niet gepaard gaat met een
toenemende behoefte aan buitenlandsche le
verantie elders.
Zooals de situatie thans is kan kapitaalexport
het beleqgersvraagstuk slechts in zeer geringe
mate oplossen, en aan het door het spaarver-
schijnsel veroorzaakte conjunctuurprobleem
vrijwel in het geheel niet tegemoet komen. Dit
ter beantwoording van de in het vorig artikel
sub b) qestelde vraag.
Natuurlijk moet wel onderscheiden worden
tusschen de ruimte op de kapitaalmarkt voor
zoover deze het gevolg is van het surplus van
huidige besparingen eenerzijds, en de
ruimte op de kapitaalmarkt voortvloeiende uit
de internationale kapitaalbeweging (zooals
terugvloeiing van Nederlandsch kapitaal, dat
Vervolg op pag. 10