Vreemd geld
Heeft u dat ook, wanneer u
van een vakantie terugkomt
u met een stel buitenlandse
munten blijft zitten? Wat
doet u ermee? Bewaren in
een busje, trommeltje, laatje,
potje of doosje? Mijn oma zei
altijd: "Wie wat bewaart die
heeft wat." Dat mijn vakan-
tiemunten echter ooit zo veel
waarde zullen krijgen als de
munten die ik onlangs in bet
Museum voor Volkenkunde
in Rotterdam heb gezien, is
hoogst onwaarschijnlijk.
Het museum voor Land- en Vol
kenkunde ligt aan de Willemska-
de in Rotterdam. Vanaf 3 mei is
er de expositie "Kleyn Profeyt"
te bezichtigen, mede mogelijk
gemaakt door collega-bank
NMB, een tentoonstelling over
munten die in de VOC-tijd in
Azie werden gebruikt.
Op de eerste etage lagen de
munten uitgestald en bij het
naar boven lopen kwam me een
Oosters luchtje tegemoet. Een
mengeling van geuren van kruid-
nagel, foelie, peper en nootmus-
kaat drong mijn neusgaten bin-
nen. Op dezelfde verdieping
bleek ook een tentoonstelling
van specerijen uit het Verre
Oosten te zijn, de handelswaar
van de Verenigde Oost-lndische
Compagnie. De Compagnie is
daar groot door geworden.
Specerijen werden al door de
Egyptenaren in balsems ver-
werkt waarmee zij hun mum
mies prepareerden. Grieken ge-
bruikten ze voornamelijk als ge-
neesmiddel. De wijsgeer Hippo
crates, de grondlegger van de
medische wetenschap, be-
schreef de handelingen die ver-
richt moesten worden om spe
cerijen zodanig te bewerken dat
ze als geneesmiddel konden
worden gebruikt.
De Romeinen daarentegen wa-
ren er minder serieus mee bezig.
Deze levensgenieters verwerk-
ten de specerijen hoofdzakelijk
in hun eten en drinken en maak-
ten er verrukkelijke geurwaters
van. De parfumluchten waren
29
toen niet van de lucht, zelfs sol-
daten kon men van verre ruiken
wat uit strategisch oogpunt
toch geen goede zaak kon zijn.
De meeste specerijen kwamen
uit landen met een sub-tropisch
of tropisch klimaat, voorname
lijk uit India, een specerijenleve-
rancier vanaf de oudheid tot he-
den, maar ook uit Ceylon (Sri
Lanka) en de Indonesische ge-
bieden, eveneens belangrijke
produktielanden. De handel in
deze waar was bijzonder winst-
gevend.
Maar hoe werd de koopwaar
betaald?
Cash
In het noorden van India ge-
bruikte men overal dezelfde gou-
den en zilveren munten, die on-
der het muntrecht van de Mogul
keizers vielen: de mohun en de
ropij. De Nederlanders en de En-
gelsen lieten van hun zilver en
goud "Sicca ropijen" slaan bij
de keizerlijke munt, die in uiter-
lijk niet veel van de munten van
de keizer verschilden.
In het zuiden gebruikte men de
gouden pagode en fanam en de
bronzen kasu. De naam kasu
werd via kas en kasje later
cash, een benaming die ook
voor ander Aziatisch kleingeld
werd gebruikt. Er was een grote
verscheidenheid van kleingeld
omdat elke staat zijn eigen
muntsoort ontwierp.
Naast de munten waren er ook
langwerpige stukken zilverdraad
die in het midden waren dubbel-
gevouwen en met een stempel
waren samengeknepen. Dit geld
kwam uit het gebied bij de Per-
zische golf en werd larijn ge-
noemd. De larijn was als geldig
betaalmiddel erkend en werd
daarom veel nagemaakt, ook op
Ceylon en India.
De VOC verkreeg op enkele
plaatsen zelf muntrecht. Een
van de munten die zij sloegen,
de Porto Novo pagode, zag er
zo goed uit en had zo'n goed
gewicht en gehalte dat het een
geliefde munt werd die men
graag voor zijn koopwaar ont-
ving. Ook deze munt werd veel
nagemaakt. Gouden fanams,
bronzen kasjes, stuivers, duiten
en tinnen bazaroeken waren an-
dere munten die de VOC uitgaf.
Op Ceylon gaf men zelf geen
eigen geld uit. Men gebruikte
het geld dat werd ge'fmporteerd.
De larijn maakte men na in een
sterker gebogen vorm die koku
ridi, vishaakgeld, heette. De
VOC importeerde er eerst stui
vers en dubbeltjes uit de Zeven
Provincien, en later halve en
kwart stuivers die in Batavia
(Djakarta) waren geslagen. De
halve stuivers werden door de
Nederlanders op Ceylon tamme-
kas(je) genoemd naar het Sin
ghalese woord voor stuiver. Er
gingen vier duiten in een tam-
mekas, 10 tammekasjes in een
fanam en 12 fanams in een
rijksdaalder. De rijksdaalder
was echter geen munt, maar al-
leen een rekeneenheid.
Failliet
In de loop van de 18e eeuw ver-
dween er steeds meer goud en
zilver uit Ceylon. Af en toe vulde
de VOC dit tekort aan met duca-
ten en ducatons uit de Neder-
landen, maar ook dat geld vloei-
de weg. Tegen het eind van de
18e eeuw was al het goud en
zilver uit Ceylon verdwenen en
was de VOC bijna failliet. Men
betaalde met credietbrieven die
uitbetaald werden in goedkoop
Japans koper. Tot 1793 wer
den er nog slechts enkele mun
ten geslagen, een zilveren ropij
en wat munten van Japans
staafkoper.
In 1795 gingen de laatste bezit-
tingen die Nederland op Ceylon
en in India had over naar de
Britten.
Hondekluifje
In de vitrines van het museum
lagen al die bijzondere munten
uitgestald. De halve larijn bij-
voorbeeld leek op een honde
kluifje en met de koku ridi, het
vishaakgeld, zou je inderdaad
goed vis kunnen vangen. Ik zag
een gouden San Tome, een Por-
tugees-lndische munt, een zil
veren tanga - ook Portugees-ln-
disch - die op een platgeslagen
melkflesdop leek en een gouden
abassi uit Perzie. Stuivers en
doedoes leken op chocolade-
pastilles en sommige gouden
muntjes waren net zo klein als
overhemdknoopjes.
Al deze munten zijn op Sri Lan
ka gevonden. Gelukkig had je
daar ook mensen die ze in een
potje, laatje, doosje of trommel
tje hadden, net zoals ik thuis.
Alleen zitten er in mijn doossie
geen kassies en gouden abas-
si's, maar slechts six-pences en
franken en pfennigs en dinars en
lires en.... toch nog te veel om
op te noemen. Ik zal ze toch
maar bewaren! petty